Herinneringen in en rond OLVD – Een terugblik
Voorwoord

Na de getuigenis van enkele jongeren in hun persoonlijke zoektocht in onze gemeenschap dacht ik er aan om ook mijn verhaal neer te schrijven maar dan vanuit een heel ander perspectief. Ik heb hier niet kunnen zoeken, ik ben er in opgegroeid en letterlijk in groot geworden.
Ik probeer dan ook mijn herinneringen te beschrijven na zovele jaren in deze parochie gewoond te hebben. De gebeurtenissen, de vele mensen die ik ontmoet heb en nog veel meer. De ouderen onder ons zullen heel wat terug herkennen uit hun jeugd.
Ik besef dat herinneringen in de loop van de jaren soms een eigen leven gaan leiden en enigzins gekleurd kunnen zijn. Daarom is het mogelijk dat bepaalde feiten niet meer 100% met de werkelijkheid overeenkomen. Ook de datering is misschien niet altijd juist maar ik beschrijf ze zoals ze me nu nog in het geheugen zitten. Het is als het leggen van een grote puzzel waarvan de stukjes in de loop van de jaren verspreid zijn. Ik probeer ze zoveel mogelijk terug te vinden maar een deel zal (voor altijd?) verloren zijn.
Hoe het begon – situering
Wij woonden in de Grondwetstraat 1, later gewijzigd in Albert Geudensstraat (1955).
In 1966 zijn we 1 huis verhuisd en werd het Schuttersvest 46.
“Wij” wil zeggen vader en moeder; zus (°1953) en broer (°1956).
Vader (1922-2023) was afkomstig van de Katelijneparochie en moeder (1922-1979) van Sint-Rombouts waar ze ook gehuwd zijn in augustus 1949.
Het huishoudelijk comfort was toen nog totaal onbekend. Geen auto, geen telefoon, geen badkamer, geen koelkast en ga zo maar door. Er reden zelfs nog trams door onze stad en op onze kerktoren stond geen spits meer. Veel van wat nu normaal is moest zelfs nog uitgevonden worden. Het was ook de tijd dat gans ons leven bepaald werd door de Kerk. Zij had overal haar invloed.
Mijn vroegste herinnering gaat terug naar 21 juni 1953. Toen werd op de Schuttersvest het koloniaal monument ingehuldigd. Het heeft toen veel indruk op mij gemaakt: het vele volk rond het monument en de peletons soldaten die aanwezig waren. Mechelen was toen nog een belangrijke garnizoensstad. Van waar wij woonden, op de eerste verdieping, zaten we dan ook op de eerste rij. Nog tot in de jaren zestig heb ik er jaarlijks nog een herdenking gezien.
Priesters
De vele parochies in die tijd hadden een welomschreven territorium. Iedere parochie had ook zijn eigen pastoor en één of meerdere onderpastoors. Wij waren rijk bedeeld: een pastoor-deken en 3 onderpastoors. De pastoor-deken Huysman woonde op het O.L.Vrouwkerkhof en werd in 1960 opgevolgd door Louis De Backer, Bob Peeraer woonde op de hoek van het Pleintje en de OLVstraat en de 2 andere onderpastoors in de Albert Geudensstraat 10. Daar heb ik zien voorbijkomen: Feremans, Frans Lornoy, Filip Van Grieken, Jan Bogaert en Achiel Viskens. Feremans werd vervangen door Filip Van Grieken. Halverwege de jaren 60 werd Frans Lornoy pastoor in Leest en vervangen door Jan Bogaert. Achiel Viskens was er de laatste bewoner. Wanneer Bob Peeraer pastoor werd en naar de pastorie verhuisde, ging Achiel op zijn beurt naar de Gebroeders Verhaegenstraat wonen. Het huis in de Geudensstraat werd daarna nog een hele tijd bewoond door Amerikaanse zendelingen (Mormonen?) . Uiteindelijk werd het huis verkocht.
Jeugdjaren
Al van jonsaf aan moest ik mee naar de zondagsmis. Daar werden geen vragen over gesteld. Samen met moeder naar de mis van 10 uur. Altijd langs de ingang van de Louisastraat. Dat was toen niet meer dan een gammele houten constructie als gevolg van de oorlogsschade. Wat daar vooraan gebeurde ging aan mij voorbij. Maar ik was altijd gefascineerd door rechts het Heilig Grafaltaar (waarvan de centrale figuur enkele jaren geleden terug is opgedoken en verworven door de kerk) en links een grote veelkleurige muurschildering waarvan de betekenis mij ontsnapte. Het is nog niet zoveel jaren geleden dat het mij duidelijk werd: door de (her)ontdekking van een foto weet ik nu dat dat vier patroonheiligen waren van de krijgsmachtonderdelen. Onderaan stonden de namen van de oorlogsslachtoffers uit de 1ste W.O. Het geheel werd gezandstraald in opdracht van architect Lauwers en in de plaats kwam er een sobere gedenkplaat die in de ingang van de toren hangt. Ik vind het toch opmerkelijk dat er voor de tientallen slachtoffers van WO II in onze parochie geen enkele herdenking is (o.a. de grootouders en tante van mijn echtgenote waren bij de slachtoffers). Soms ging ik ook met vader naar de mis. Die ging nog al eens naar de “concurrentie” zijnde Hanswijk. In de loop van de jaren 60 waren vader en moeder ook lid van resp. de KWB en KAV (tegenwoordig veranderd in Raak en Femma). Beide verenigingen zijn in de loop van de jaren 70 in stilte gestopt. Vader was ook penningmeester van de plaatselijke Sint-Vincentiusvereniging die zich toespitste op mensen in armoede. Een aantal jaren geleden hebben we thuis nog de gedetailleerde kasboeken teruggevonden en terug bezorgd aan de parochie.
Naar de kleuterschool ging ik toen naar de zusters van de Ham in de Lange Ridderstraat.
Ik heb daar alleen maar goede herinneringen aan: de zusters Ernestine en Marie-Mathilde waren ongelooflijke kleuterjuffen. Ook het 1ste leerjaar heb ik er gedaan. Jongens mochten er toen blijven tot en met het 2de.
Vanaf het 2de leerjaar ging ik naar het college. Dat was helemaal anders! En vanaf het vijfde leerjaar moesten we alle dagen naar de mis gaan. Voor de leerlingen buiten Mechelen was er controle met een kaart te tekenen door de plaatslijke pastoor, wie in de stad woonde moest naar de kapel van het college. Uitzondering: wie van onze parochie was moest naar onze kerk waar er controle was van de immer gestrenge leraar Aloïs Jans (1928 – 2008). Ergens in het begin van de jaren 60 is die verplichting verdwenen.
De kerk
Voor de restauratie stond de sacramentstoren vooraan links tegen de vieringpijler. Daarvoor was er een altaar met een goudkleurig tabernakel (dit staat nog steeds in de sacristie). Aan dit altaar werd de mis gedaan. Bij de restauratie verdween dit altaar en de toren werd 2 pilaren verder geplaatst. De hoogmis op zondag werd toen nog aan het hoofdaltaar gedaan. Later kwam er een nieuw houten altaar in het midden tussen de vieringpijlers. Er kwam ook een nieuw tabernakel dat nu in de weekkapel staat samen met dit altaar. In dezelfde stijl kwam er in 1960 ook een nieuw processiekruis. Op de altaren stonden altijd links en rechts 3 kandelaars. Voor een gewoon “gelezen” mis brandden alleen de middenste kaarsen. Bij een “gezongen” mis waren het de buitenste en bij een “plechtig” jaargetijde brandden ze allemaal. Bij dit laatste was het ook een mis met 3 priesters! Ook bij de hoogmis brandden ze alle zes.
De organist – tevens koster – Fil Denteneer (+1979) begeleidde van boven aan het orgel, de speeltafel stond toen nog boven. Iedereen kende hem als “de Fille”, een heel goede musicus die heel wat heeft geschreven en bewerkt voor het koor. Als hij niet moest spelen kon men hem tijdens de mis regelmatig terugvinden buiten aan de deur van de weekkapel om rustig zijn sigaretje te roken.
En dan hebben we nog de homilie: die gebeurde vanaf de kansel. Eerst was er het lawaaierig draaien van de lage kerkstoelen zodat iedereen kon gaan zitten, dan volgde het voorlezen van de misintenties voor de volgende week en na de homilie was het terug draaien van de stoelen. De uitreiking van de communie gebeurde toen geknield op de communiebanken die nu her en der verspreid staan in de kerk.
Koor of misdienaars?
Vanaf het 4de of 5de leerjaar was ik in het Sint-Romboutskoor. Enkele keren per week (hoeveel weet ik niet meer) was het repetitie reeds om 08.00 uur in het college. Ik was bij de sopranen en de repetitor was priester Pol Van Grieken. We moesten toen ook al eens ’s middags (wekelijks??) blijven voor een halfuurtje notenleer. In diezelfde periode is Bob Peeraer bij ons thuis op bezoek geweest op zoek naar goede zangstemmen voor zijn koor. Dat was natuurlijk geen probleem want wie in het Sint-Romboutskoor was kon toch een stukje zingen. Uiteindelijk is dat niet doorgegaan om mij nu onbekende reden. Mocht het niet van het College of was er een andere reden? Ik weet het niet. In diezelfde periode was er een goede klasgenoot Willy Bertiau die al bij de misdienaars was en zo ben ik daar bij “gesukkeld”. In de loop van de vele jaren daarna heb ik dikwijls gedacht om de overstap te doen. Zingen in groep heb ik altijd wel graag gedaan en de films van hun kampen waren ook altijd boeiend maar de uiteindelijke stap heb ik niet kunnen/durven/willen zetten. Ik heb het tenslotte een beetje goedgemaakt door onze twee kinderen naar het koor te laten gaan en die zijn er ondertussen al ieder meer dan 30 jaar in. Ondertussen zijn er ook al 3 kleinkinderen die meezingen. Ook mijn zus en broer zijn in hun jeugdjaren nog een tijd in het koor geweest.
Misdienaars
Er waren heel wat misdienaars nodig: alle dagen waren er missen om 06.30 uur, 07.00, 07.30, 08.00 en 18.00. Ook waren er enkele priester-leraars die hun dagelijkse mis aan één van de zijaltaren kwamen doen. Hiervan herinner ik me Isidoor Cappaert (SITO) en Everaert (Atheneum). ’s Zondags was het om 07.00 uur, 08.00, 09.00 (hoogmis), 10.00, 11.00 en 18.00. Voor een gewone mis waren er telkens 2 misdienaars nodig. Voor de hoogmis was er buiten de 2 misdienaars ook nog een ceremoniaris en 4 zgn. “bloempotten” nodig. Dat waren gewoonlijk de jongste misdienaars en die hun taak was om voor de consecratie onder begeleiding van de ceremoniaris in de sacristie 4 kaarsenstandaards te halen, geknield voor het altaar te zitten tot na de consecratie en dan de weg terug. De ceremoniaris was gewoonlijk Aloïs Jans. In de zondagsmissen van 7 en 8 uur zat gewoonlijk meer volk dan in de huidige 10 uur viering. De hoogmis had niet zoveel succes maar om 10 en 11 uur was het telkens een volle kerk tot en met de zijbeuken. Dan waren er ook heel wat die aan de ingangen bleven rechtstaan: geen stoelgeld te betalen en bij de communie hielden de meesten het voor bekeken. Misdienaar zijn was toen tamelijk gecompliceerd. De ceremonie van voor het Vaticaans concilie was dan ook helemaal anders. Daarbij werd verwacht dat je de Latijnse teksten kende (al vertond je er niets van). Aan de rechterkant zitten was de belangrijkste plaats: daar had je de controle over de bel die je op gezette tijden flink moest luiden om iedereen bij de les te houden.
De winter van 62-63 was één van de koudste sedert het begin van de waarnemingen. Weken aan één stuk vriesweer en sneeuw. Ook in onze kerk was het ijskoud. De verwarming die we nu kennen bestond nog niet en het wijwater bevroor in de kerk. Als oplossing werden de diensten in de week afgelast in de kerk zelf en vervangen door de kapel vande zusters Maricolen en de kapel van het Sint-Jozefziekenhuis. ’s Zondags werden er op diverse plekken in de kerk branders met flessengas gezet om toch een beetje te verwarmen.
Ondertussen had ik in ’57 en ’62 respectievelijk mijn eerste en plechtige communie gedaan. Niet in onze kerk maar in de school zelf dus in de Ham en daarna het College.
Processie
Iedereen kent de jaarlijkse processie van Hanswijk. Tot enkele decennia geleden hadden ook andere parochies een eigen processie waaronder onze parochie. De laaste keer dat ze is uitgegaan was in 1960. Het was Leonie Huybrechts (1897 – 1960) die voor alle materiaal en kledij zorgde. Ze was tevens de grootmoeder van mijn echtgenote. Haar overlijden was waarschijnlijk mee de reden van het stopzetten van de processie. Enkele jaren geleden zijn er op de zolder van de Refuge nog een aantal processiestukken teruggevonden. Na inventarisatie worden deze nu bewaard in de kasten van de voorsacristie. Wat er met de kledij is gebeurd, is onbekend.
Restauratie
In de loop van de jaren ’60 gebeurden ook de grote restauratiewerken aan het interieur. Grote werken die regelmatig een aanpassing vergden om de vieringen op een normale manier te laten doorgaan. De kerk was daarvoor in twee grote delen verdeeld: ter hoogte van de westelijke vieringpijlers en aan de beide zijbeuken stond een stelling tot aan het gewelf waardoor we twee delen kregen waar afzonderlijk werd in gewerkt. Zo was het deel van koor en dwarsbeuk het eerste klaar vooraleer dan aan het schip van de kerk werd gewerkt. De verandering was groot: een nieuw altaar van een massieve blok arduin op een groot planum en de sacramentstoren die verplaatst was. Ik heb toen ook de opgravingen gezien ter hoogte van de sacristie van de restanten van wat een voorgaande kerk moet geweest zijn. Bij het graven van de kanalen voor de verwarming waren er ook veel restanten van de begravingen die eertijds in de kerk gebeurden. Een nieuwe spits kwam op de toren, een nieuwe beiaard werd geïnstalleerd en de vier nieuwe luidklokken werden eerst in de kerk zelf tentoongesteld vooraleer ze in de toren gingen. Tegen het einde van de werken hebben we nog met een viertal vrienden – letterlijk op onze knieën – de volledige vloer van de ommegang opgepolierd om alle cement- en vuilresten weg te werken. Dat heeft ons toen nog een mooie zakcent opgeleverd. In ’69 hadden we dan een volledig vernieuwde kerk.
Na deze werken blijf ik toch met twee vragen zitten:
- in wiens tuin staan de witte marmeren beelden van de Heilige Catharina en de Heilige Cecilia afkomstig van het afgebroken doksaal (gebouwd in 1829)?
- In wiens woonkamer staat het verwijderde deel van het koorgestoelte dat plaats moest maken voor de speeltafel van het orgel? Dit deel heeft nog jaren in de Dismaskapel gestaan.
Iemand? Het is nu toch verjaard!
Of zou dit alles vernietigd zijn?
In de sacristie
De sacristie zag er ook anders uit. De weekkapel was nog niet gebouwd en de kast die nu vlakop staat stond toen links waar ook een venster was. Verder stonden er 2 bidstoelen en een mazoutkachel. De grote kast in de weekkapel stond in de kerk tegen de muur achter het koorgestoelte aan de noordzijde. Het is op die muur dat Aloïs Jans later de schildering van “de Verloren Zoon” heeft ontdekt. Die muur werd dan in zijn geheel verhuisd naar de huidige plek.
Op de kasten zowel links als rechts legde de koster de liturgische kledij klaar in volgorde dat ze zich moesten kleden. Dat was toen iets meer dan nu. Ook de persoonlijke kelk met toebehoren en afgedekt met het velum in de juiste kleur stond klaar. Fil Denteneer overleed plotseling in 1979.
Sint-Jozefskring
Terwijl het koor onderdak had in de Refuge, hadden de misdienaars dat in de Sint-Jozefskring gelegen ook in de O.L.Vrouwstraat maar op nr. 94. Daar was ook de parochiale feestzaal en natuurlijk een café. De meeste parochies hadden dat in die tijd. In dat café was er ook een biljartclub gevestigd en er waren 2 of 3 biljarttafels. De uitbater, tevens huisbewaarder, was Jan Smets. Hij had ook een niet onknappe dochter die vrij snel verkocht was aan één van de oudere misdienaars.
Boven was er de parochiebibliotheek die uitgebaat werd door Maria Bertiau Zij keek er wel op toe dat je de juiste boeken meenam die je “mocht” lezen. Ik denk dat het uitleengeld toen 0,50 frank was per boek. Rechts naast de bibliotheek was er een lokaal dat de misdienaars mochten gebruiken. Het was het oude repetitielokaal van het mannenkoor, er stond toen nog een harmonium in. Wekelijks kwamen we samen op zaterdagnamiddag. De grote koer achteraan werd gebruikt voor voetbal en allerhande pleinspelen en/of het lokaal werd gebruikt voor gezelschap- en kringspelen.
In 1962 gingen de misdienaars voor de eerste keer op kamp voor 10 dagen naar Westerlo. Het was een groep van ongeveer 40 jongens + leiding. Het was de eerste keer dat ik zo lang alleen van huis ging maar het zijn mooie dagen geweest. Dit was het begin van de jaarlijkse kampen die langzaam jaar na jaar uitbreiden met jongens van buiten de misdienaars, het werden parochiekampen. Voor meisjes heeft het nog enkele jaren geduurd voor die mee gingen tot begin van de jaren ’70.
De “Moezze”
Vanaf zijn aanstelling in onze parochie was Filip Van Grieken de stuwende kracht achter de misdienaarsgroep. Iedereen kende hem als “de Moezze”. Altijd enthousiast liet hij een nieuwe wind waaien door de parochie.
In de periode 64-65 begon hij, in de geest van de jaren ’60, met een jeugdclub.
Elckerlyc werd opgericht voor jongens én meisjes vanaf 17 jaar. Het was in die tijd vooruitstrevend én grensverleggend. Het was een jeugdclub niet alleen om te feesten en te vieren maar ook cultureel en informatief. De grote zaal boven het café werd in een nieuw fris jasje gestoken en werd het nieuwe clublokaal. Al snel werd de jeugdclub een begrip in het Mechelse.
In ’67 was er een grote verrassing: de Moezze werd verplaatst naar de Sint-Jan Berchmansparochie. Dit gebeurde zo plotseling en op zo een korte tijd dat ik me niet kan herinneren dat er enige vorm van afscheid is geweest noch in de kerk noch in onze groep. Ook Elckerlyc volgde hem naar de nieuwe parochie. We bleven verweesd achter. Kort daarna kwam er een vervanger nl. Jan Bogaert. Een stille en vriendelijke minzame man maar niet met het temperament van de Moezze. Daarna heeft deken De Backer gevraagd aan Hendrik Schelfhout om de leiding over de misdienaarsgroep te nemen. Hij heeft dat naar best vermogen gedaan samen met nog enkele ouderen.Het kamp van dat jaar was in Diekirch. met een nieuwe leiding en een nieuwe keukenploeg, de families Horckmans en Hellemans. Als proost ging Jos Trimpeneers mee, leraar aan de school op de Schuttersvest. In ’68 stopte Hendrik Schelfhout er mee en de vraag kwam dan naar mij toe. Samen met Willy Bertiau, Jan Opdebeeck, Emiel Dewals en Pierre Naster hebben we nog de groep proberen te trekken maar een stuwende kracht als de Moezze ontbrak en langzaam viel de grote groep uit mekaar. Wij als ouderen gingen diverse wegen in van studie en werk. Wat bleef waren de jaarlijkse kampen waar Emiel Dewals meer en meer het voortouw nam. Ieder jaar met meer succes. Op die manier was er een evolutie naar ’74 toen de misdienaars onder zijn impuls geruisloos overgingen in het nieuwe Jamaswapi. Van toen af kwamen er ook meisjes bij maar dat wordt dan een heel nieuw en ander verhaal waar ik verder geen kennis van heb.
Lectoren
Rond ’68 – ’69 begon er een nieuw hoofdstuk: we konden aansluiten bij de lectoren. We waren met verschillenden om zoals nu volgens een beurtrol aanwezig te zijn. In de loop van de volgende jaren is het door omstandigheden zo geëvolueerd dat ik gedurende lange tijd elke zondag de mis van 11 uur als lector had. De functie van lector was toen enigzins verschillend van nu: je bleef de hele mis lang aan de lezenaar staan en was buiten de 1ste lezing en de voorbeden ook de begeleider van de gezamenlijke gebeden. Je was eigenlijk de “medevoorganger” van nu nog voor het woord was uitgevonden. Ik was altijd trouw op post ook de periode van 6 maanden dat ik in Arlon was en ieder weekend naar huis kwam alsook de 9 maanden in Soest als ik met verlof thuis was. Het is in die periode dat deken De Backer mij voor een volle kerk (en toen was het nog “vol”) de lof toezwaaide voor mijn wekelijkse inzet. Ik had in Soest goede contacten met de “padre”, een jonge priester die pas van het seminarie kwam. En daar was ik ook lector in de bataljonskapel. Maar toch: ergens rond ’75 kreeg ik op een zondagmorgen plotseling te horen dat mijn dienst niet meer nodig was en dat er een andere regeling zou getroffen worden zonder mij. De manier waarop kwam zo hard aan dat ik maar terug naar onze kerk ben gekomen rond ’90 omdat onze dochter ondertussen in het koor was. Uitzondering voor de dopen van onze kinderen in ’80 en ’84.
Ondertussen was in ’73 deken De Backer plotseling weggegaan uit onze parochie naar een nieuwe functie. Na zijn vertrek werd Bob Peeraer pastoor en verhuisde hij naar de dekenij, Achiel Viskens verhuisde van de A. Geudensstraat naar de Gebr. Verhaegenstraat. In 1982 ging hij ook weg om pastoor te worden in O.L.Vrouw Waver. Bob werd dan ook de laatste pastoor exclusief voor onze kerk. Jan Bogaert had voordien ook al de parochie verlaten maar ik kan me niet herinneren wanneer en naar welke nieuwe functie.
In die tijd was het ook het einde van de Sint-Jozefskring. De bibliotheek verdween. Het café sloot en de biljartclub verhuisde naar de Xaverianenkring in de Bergstraat. In ’73 werd alles afgebroken en kwamen er de huidige appartementen in de plaats.
Nieuwe misdienaars
Na het langzaam teloorgaan van de bestaande groep misdienaars – of wat er van overbleef – werd een nieuwe groep gevormd onder impuls van Kris Horckmans. Halverwege de jaren ’70 waren er nog vieringen in de week om 8 uur, zaterdag ook om 18.00 uur en ’s zondags om 8, 10, 11 en 18 uur. Later is er nog een periode geweest dat er alleen om 10 en 11.15 uur een viering was. Ondertussen is het Ann Horckmans die zich bekommert om de misdienaars.
En zo verder…
In 1975 zijn we getrouwd in onze kerk en woonden we enkele jaren in de Bruul boven de bakkerij Napoli, recht tegenover de Korte Schipstraat. Toen woonde mijn broer nog thuis. Als hij op zondag ’s morgens niet uit zijn bed kon moest hij ’s avonds naar de mis gaan bij de Jezuieten. Dat was toen nog om 20.00 uur! Hij loste dat simpel op en kwam dan drie kwartier bij ons doorbrengen. Ik weet niet of dat thuis ooit geweten is.
Sinds onze kinderen in het koor waren kon men terug op mij beroep doen als lector.
Ondertussen was in de loop van de jaren de kosterfunctie verdeeld tussen verschillende vrijwilligers. In 2012 kreeg ik de vraag om in opvolging van Kris Horckmans (1929 – 2016) de tweemaandelijkse agenda voor de kosters op te maken, wat ik tot nu toe nog altijd doe. Ook het opvolgen van materiaal (kaarsen, wierook, enz.) zorg ik voor. Aangezien ik ondertussen met pensioen was kwam ik niet alleen voor de reguliere vieringen maar ook voor de uitvaarten en huwelijken. Samen met Luc Ardies en Heidi Sente hadden we ieder onze taak.
Voor de uitvaarten was er als lector telkens heel wat te lezen en dit in samenspraak met de voorganger, Luc zorgde dan voor de bediening van de muziekinstallatie. Heidi assisteerde de voorganger. Zo ben ik als lector in ongeveer 240 uitvaarten mee voorgegaan en dit voor een divers aantal aanwezigen: van een volle kerk tot slechts enkele mensen. Maar we streefden ernaar om iedere uitvaart even sereen en degelijk te laten verlopen ongeacht het aantal aanwezigen. Iedereen heeft recht op een waardig afscheid. Ondertussen zijn de uitvaarten in de goede handen van Philippe Verbist en Guido Franckx aangezien ik me om persoonlijke redenen niet altijd meer vrij ben tijdens de week.
Als hij 75 werd ging Bob met pensioen. Hij heeft toch nog verschillende jaren blijven voorgaan in de vieringen en bij uitvaarten. Ondertussen hadden we dan ook een nieuwe pastoor gekregen: Jan Arnalsteen. In tegenstelling tot Bob werd hij aangesteld als pastoor niet voor één maar voor verschillende parochies.
Op 14 juni 2016 overleed Kris Horckmans, steunpilaar van onze kerk, altijd aanwezig, altijd beschikbaar.
Op 13 maart 2021 overleed dan Bob Peeraer. Van 1954 tot 2004 was hij ononderbroken verbonden aan deze parochie . Zijn uitvaart viel in volle coronaperiode. De uitvaart in beperkte kring werd gestreamd en is nog altijd te bekijken op You Tube.
50 jaar restauratie
In het vooruitzicht van 50 jaar restauratie werd in 2018 een wergroep opgericht om hieraan gepaste aandacht te geven. Dank zij het werk van velen werd er een brochure uitgegeven waarin het hele restauratieproces werd verteld en er kwam ook een tentoonstelling in de kerk. Daarna bleef de werkgroep bestaan om zich verder te bekommeren over alles wat met ons erfgoed te maken heeft. Ik denk hier o.a. aan de restauratie van “de Wonderbare Visvangst”. Het opvolgen van ons erfgoed is een werk dat nooit af is. N.a.hiervan heb ik mijn kennis over de kerk – gebouw en inboedel – vergroot. Ik verwijs hierbij naar de rondleiding in de toren die beschreven wordt via een link op de website van de parochie. Geïnteresseerden wil ik daar altijd wel een rondleiding geven om kennis te maken met ons verrassend en “verborgen” erfgoed.
Corona
In 2020 werden we allemaal geconfronteerd met de coronacrisis. Alles ging letterlijk en figuurlijk “op slot”. Gedurende enkele maanden waren er geen vieringen toegelaten. Maar na korte tijd heeft een groep vrijwilligers het initiatief genomen om via streaming toch vieringen aan te bieden. Het waren zeer kwaliteitsvolle opnames. Na verloop van tijd werd met mondjesmaat terug van alles toegelaten: beperkt aantal aanwezigen, mondmaskers, voldoende afstand tussen de stoelenrijen, ontsmettingsmiddel…
Zo gingen we beetje bij beetje terug naar een normale wereld.
Besluit
Dit is dan ook een impressie van de voorbije decennia. Ik heb dan ook een hele evolutie meegemaakt. Ondertussen is het 2025 geworden. De wereld is veranderd, wij zijn veranderd. De overal bemoeizieke kerk met haar regelneverij bestaat niet meer. Het is een kerk geworden die openstaat naar alle mensen en niet meer oordeelt of veroordeelt.
Deze herinneringen zijn natuurlijk niet volledig en ik sta open voor aanvullingen en/of correcties.
Tekst: Paul Van Kelst – september 2025
